Algemene info 2018-02-23T09:49:13+00:00

Prostaatkanker  

(Ontwerptekst door Rik Cuypers; nog goed te keuren door het bestuur.)
(Alle opmerkingen of voorstellen zijn welkom)

INHOUD  (met links naar paragrafen van artikel)

Inleiding
Onderzoek bij de huisarts
Praktische opmerkingen
De uroloog
Biopsie
Gleason score en graden
Beeldvorming
De TNM stadia
De risico groepen
Mogelijke behandelingen
Bijwerkingen
Afkortingen en begrippen

De meeste prostaataandoeningen zijn goedaardig. Goedaardige prostaatvergrotingen liggen dikwijls aan de basis van plas- en ontstekingsklachten. Men voelt dan dat bij het plassen de blaas niet volledig leeg is. Prostaatkanker is pas voelbaar voor de patiënt, wanneer die een gevorderd stadium heeft bereikt. Hij uit zich dan vooral door botpijnen veroorzaakt door uitzaaiingen. Sterk gegroeide tumoren kunnen ook de plasbuis dicht knijpen en dezelfde plasproblemen veroorzaken als een goedaardige prostaatvergroting.

Prostaatkanker is de meest voorkomende kanker bij mannen. Recente Belgische statistieken spreken van 8.363 nieuwe Belgische gevallen van prostaatkanker per jaar. De meeste diagnoses grijpen plaats van 65 tot 75 jaar. Jongere mannen worden meestal geconfronteerd met een agressieve kanker. We onderscheiden vier kankerstadia, waarmee verschillende behandelingen en overlevingskansen gepaard gaan. Zo’n 80% van de patiënten leeft nog 10 jaren na de diagnose.

Prostaatkanker ontwikkelt zich langzaam. Meestal heeft men dus tijd om bij een diagnose rustig te besluiten welke behandeling men wil en een tweede opinie van een andere arts kan daarbij helpen.

De prostaat is een kleine klier in het bekken die alleen bij mannen voorkomt. Ze heeft de grootte van een kastanje. Ze is gelegen tussen de penis en de blaas en ze omringt de plasbuis, hetgeen aanleiding geeft tot heel wat problemen. De prostaat produceert stoffen voor het vervoer en de voeding van de zaadcellen die zich mengen met het sperma van de testikels.

Het mechanisme dat prostaatkanker doet ontstaan is nog onvoldoende gekend. We weten dat de genetische eigenschappen, geërfd of ontwikkeld tijdens het leven van een man een rol spelen. Wanneer in iemands familie prostaatkanker voorkomt moet men dus op jongere leeftijd alert zijn voor de ziekte. De voeding is zeker eveneens een factor, maar ook onduidelijk. De leeftijd komt ook als risicofactor naar voren. Logisch als men weet dat prostaatcellen fel groeien en de kans dat er fouten gemaakt worden bij de celdeling alsmaar toeneemt.

Het onderzoek naar prostaatkanker start bij de huisarts. Er bestaat nog altijd geen eenvoudige, goedkope en zekere test die prostaatkanker opspoort. Hierdoor laten sommige artsen na, prostaatkanker op te sporen, omdat ze een onnodige behandeling met veel bijwerkingen vrezen. Wij Ook vzw is de mening toegedaan dat men wel moet opsporen, maar zorgvuldig te werk gaan, met in het achterhoofd de levenskwaliteit van de patiënt en dus overbehandeling moet vermijden. Prostaatcellen en prostaatkankercellen scheiden een eiwit af, PSA (prostaat specifiek antigen) dat in de bloedbaan terecht komt. De concentratie ervan is een maat voor de activiteit van de prostaat. De gemeten waarde is dus niet specifiek voor kanker.  De grootte van de prostaat, mogelijke ontstekingen, zelfs fietsen en rectale medische onderzoeken beïnvloeden het PSA gehalte. Bij oudere personen neemt de PSA toe. Statistisch is men er toe gekomen 4 ng/ml als alarmdrempel te beschouwen.

Op zich is het belangrijker de evolutie van de PSA te volgen, door de PSA verdubbelingstijd te bepalen. Sommige mannen hebben een vrij hoge PSA, maar met een stabiele waarde.
Een eerste meting gebeurt best rond de leeftijd van 50 jaar en bij familiale voorgeschiedenis zelfs bij 45 jaar. Men beschikt dan over een natuurlijke, “baseline” referentie. De noodzaak van een volgende meting kan afhangen van de waarde van de PSA. Die kan tot 5 jaren later zijn. Men heeft er evenwel alle belang bij de kanker in een vroeg stadium te ontdekken, wanneer hij nog geneesbaar is. Er zijn volop nieuwe biomarkers op komst, maar die hebben de PSA nog niet vervangen.

De huisarts zou ook kunnen overgaan tot een controle van de oppervlakte van de prostaat, die in plaats van glad en zachter,  hard en hobbelig kan worden. Dit gebeurt men de vinger langs de aars:
“rectaal toucher”. De meeste kankers ontwikkelen zich in de zone die op die manier toegankelijk is.

De arts verwijst naar een uroloog wanneer hij gealarmeerd is door zijn bevindingen. Paniek is dan uit de boze, want de eventuele ziekte evolueert traag en er zijn verschillende behandelingen mogelijk, waaronder voorlopig niets doen en de situatie opvolgen.

Hier even praktische opmerkingen: bereid je vragen voor en noteer ze op papier. Neem schrijfgerief mee en laat de arts nog eens herhalen, als je niet direct snapt wat hij zegt. Ga naar het ziekenhuis met aangepaste kledij, pull met korte mouwen en sandalen. Laat waardevolle voorwerpen thuis. Neem lectuur mee voor in de wachtzalen. Informeer je of er Wifi is er waar je de eventuele code kunt verkrijgen. Een rugzak is een handig middel om alles op te bergen en een flesje water mee te nemen. Wanneer er na een bloedafname nog behandelingen volgen met inspuiten van contraststof of toedienen van een baxter, vraagt men best op voorhand om het infuus te laten zitten.

De uroloog schat uw situatie in, rekening houdend met de PSA, de resultaten van een biopsie, beelden van medische apparatuur, uw leeftijd, andere mogelijke aandoeningen en uw wensen betreffende een behandeling. Alvorens een behandeling voor te stellen zal hij een Multidisciplinair Oncologisch Consult (MOC) bijeenroepen om een optimale oplossing uit te dokteren (woordspeling niet?) Het gaat om een uroloog, radiotherapeut, oncoloog en eventueel verplegend personeel of huisarts. Stilaan duikt er een nieuw element op bij de analyse en dat is genetica.  Dat laat precieze, individuele behandelingen toe.

Bij een biopsie van de prostaat wordt weefsel weggenomen door middel van tenminste 12 dunne holle naalden. Standaard gebeurde dit altijd onder controle van een ultrasoon beeld, maar met magnetische resonantie kunnen ze beter gericht worden naar de kanker letsels. De prostaat kan langs de dikke darm of trans-perinaal, dat is tussen de balzak en de aars bereikt worden. De eerste methode vereist het toedienen van een antibioticum.

Twee anatoom-pathologen onderzoeken de stalen om de agressiviteit van  eventuele kankercellen vast te stellen. Men drukt die uit in een gleason score (GS). Hoe sterker de cellen afwijken van gezonde prostaatcellen, hoe hoger de score. Het meetresultaat omschrijft men met twee getallen die van 1 tot 5 kunnen gaan. Het eerste getal drukt de meest voorkomende afwijking uit en het tweede de volgende. Vb. 3+3 is weinig agressief en 5+4 daarentegen erg agresssief.
Een andere manier om de resultaten uit te drukken is in “graad” groepen:
lage graad 1 ( GS ≤ 6), graad 2 (GS = 3+4), graad 3 (GS = 4+3), hoge graad 4 ( GS = 8) en hoge graad 5 (GS = 9 en 10). Het voordeel van de graden is dat een GS 6 verontrustend kan lijken en een lage graad 1 eerder geruststellend is, hetgeen met de werkelijke agressiviteit overeenstemt.
Men moet weten dat de GS bepaling toch erg subjectief blijft.

Of er prostaatkanker aanwezig is en waar deze zich eventueel bevindt onderzoekt men met beeldvormingstechnieken:

Bij een echografie wordt de prostaat door middel van ultrasone geluidsgolven onderzocht. Daartoe wordt een klein staafje in de endeldarm gebracht. Via de echografie kan de grootte en het gewicht van de prostaat worden opgemeten. Normaal is de prostaat egaal op het beeldscherm. Donkere plekken kunnen op prostaatkanker wijzen.

Bij een botscan maakt men opnames van het skelet na het toedienen van een radioactieve stof die zich aan de botten hecht. De botstofwisseling wordt in beeld gebracht en metastases komen aan het licht.

Een CT-scan (Computer tomografie) gaat eventuele uitzaaiingen na in het bekken of het bovenlichaam. Via röntgenstralen worden uit verschillende hoeken foto’s genomen. Op basis daarvan kan de computer een beeld van de prostaat maken. Meestal dient men een contraststof toe, via een injectie, om de beeldkwaliteit te verhogen.

Magnetische resonantie (MRI) maakt gebruik van een magneetveld en radiogolven. Een MRI levert nauwkeuriger beelden op van de prostaat. MRI kan ook uitzaaiingen opsporen.

Mp MRI (multiparametrische MRI) gebruikt anatomische beelden en functionele parameters zoals bloedflow en beweeglijkheid van water-diffusie, om meer agressieve kankers te onderscheiden van goedaardige afwijkingen en van ongevaarlijke tumoren.

PET scan (Positron emissie tomografie) levert beelden op van de gammastralen die een ingespoten radioactieve merkstof uitzendt. (glucose, choline, fluciclovine). De kankers met hun sterke stofwisselingen worden opgemerkt.

PSMA Gallium 68: PSMA (prostaat specifiek membraan antigen) is een eiwit dat zich graag hecht aan prostaatkanker cellen. Dit eiwit wordt gebonden aan het radioactief materiaal Gallium 68. Op de PET scan ziet men dus heel goed waar de kankercellen zitten.

PET-MRI en PET-CT combinaties bieden beelden van beide systemen samen.

Met de stadia drukt men uit waar de prostaatkanker zich ontwikkeld heeft. Men onderscheid in essentie lokale prostaatkankers binnen het kapsel, lokaal uitgezaaide prostaatkankers buiten het kapsel maar nog in het prostaatbed en prostaatkankers die op afstand uitgezaaid zijn. Lymfeknopen, zaadblaasjes, botten, longen en lever zijn de voorkeurplaatsen waar de uitzaaiingen terecht komen.

TNM stadia  (T= tumorligging, N= aantasting lymfknopen M= metastases)

T1: tumor beperkt tot de prostaat , klinisch onduidelijk, niet palpabel noch zichtbaar met beeldvorming
– T1a: minder dan 5% van het verwijderde weefsel bevat tumorcellen
– T1b: meer dan 5% van het verwijderde weefsel bevat tumorcellen
– T1c: het verwijderde weefsel van 1 biopt bestaat uit tumorcellen
T2: tumor beperkt zich tot de prostaat (groeit niet door kapsel heen)
– T2a: tumor beslaat de helft van een lob of minder
– T2b: tumor beslaat meer dan de helft van een lob, maar niet beide lobben
– T2c: tumor beslaat beide lobben
T3: de tumor groeit ook buiten de prostaat
– T3a: tumor groeit door het kapsel heen, maar niet in omliggende organen
– T3b: tumor groeit door tot in de zaadblaasjes
T4: tumor groeit tot in omliggende organen

– N0: geen lymfklieruitzaaiingen

– N1: lymfklieruitzaaiingen in de lymfklieren rondom de prostaat

– M0: geen uitzaaiingen naar op afstand gelegen lymfklieren, botten of andere organen
– M1: uitzaaiingen op afstand
– M1a: Niet-regionale lymfeklieren
– M1b: Bottten
– M1c: Andere

Het risico van een prostaat kanker verdeelt men in vier algemene groepen.
Ze geven enkel een idee van waar het om gaat.

  1. Laag risico: (er bestaat ook zeer laag risico) – tumor is binnen het prostaatkapsel, T1c
    – PSA < 10
    – graad 1 agressie
  2. Gemiddeld risico
    – tumor is binnen het prostaatkapsel, T2b/c
    – 10 ≤ PSA ≤ 20
    – met gunstige vooruitzichten als agressie graad 2 is
    – minder gunstig bij graad 3
  3. Hoog risico
    – tumor is buiten de prostaat, T3 of T4
    – PSA > 20
    – graad 3 en 4 agressie
  4. Zeer hoog risico – tumor zaaide zich uit in zaadblaasjes, dikke darm of blaas.

De mogelijke behandelingen

 

Passief afwachten

 

Actieve opvolging

 

Prostatectomie

 

Uitwendige bestraling

 

Inwendige bestraling

Brachy

Radium

PSMA

 

Hormonale behandelingen

Orchidectomie
Door een operatie wordt het testosteron producerende weefsel uit de zaadballen verwijderd. Deze ingreep heet een subcapsulaire orchidectomie. De operatie is op zichzelf een eenvoudige ingreep. Bij de operatie worden de zaadballen zelf niet weggehaald.

LHRH

AA

Abi

Enza

Chemotherapie

Doce

Cabi

Carbo

Protontherapie

Hifu

Cryo

Light therapy

Fokaal

Immunotherapie

Sipeu

Ola

Pembro

Psychologie

 

De bijwerkingen

Passief afwachten

 

Actieve opvolging

 

Prostatectomie

 

Uitwendige bestraling

 

Inwendige bestraling

 

Hormonale behandelingen

 

Chemotherapie

 

Protontherapie

 

Immunotherapie

 

Afkortingen en begrippen